Column
Column
In 1969, ik was toen vier jaar oud, is Jan Willem Frederik van Ingen gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit van Leiden. En wel op “Stralingschemische reacties in vloeibaar cyclohexaan: energieoverdracht en gesensitiseerde reacties van opgeloste stoffen.” Kijk, dat bekt alvast lekker. Toen en nu was, en is, het gebruik aan de stellingen van het proefschrift een aantal stellingen toe te voegen die helemaal niets met het onderwerp van de dissertatie te maken hebben. Je kent ze wel, van die stellingen als “Het is aannemelijk dat mensen in de winter zwaarder zijn dan in de zomer, alleen al vanwege het feit dat er in de winter meer mensen door het ijs zakken dan in de zomer”.
Van Ingen had als bij zijn voor mij op voorhand onbegrijpelijke onderwerp een voor die tijd wellicht onbewezen stelling. Die luidde: “Het verdient aanbeveling ook in Nederland bij de opleiding van medische studenten gebruik te maken van de diensten van beroepsacteurs”.
Laatst, na een lange zomer waarin niets doen en nóg meer genieten dan gewoonlijk mijn dagelijkse routine geworden waren, ging ik weer aan het werk. Zo’n vakantie moet tenslotte ergens van betaald worden, niet dan?
Ik had telefonisch een voorgesprek met de trainer, die aangaf in veel van zijn trainingen niet meer zonder acteurs te kunnen. Nu is het altijd weer de vraag hoe de deelnemers dat ervaren, maar vanuit wat ik veelal hoor na trainingen ben ik geneigd de trainer te geloven, waarna ik mij uiteraard zeer voldaan voel omdat ik één van die voor hem onmisbare mensen ben die zijn training tot een succes kan maken.
Sinds 1969 is er waarschijnlijk veel veranderd in trainings- en opleidingsland. Het is, denk ik, een business geworden waar behoorlijk veel tijd, energie en dus ook geld in omgaat. Veel trainers werken met acteurs, politieopleidingen en justitiële inrichtingen kunnen niet meer zonder acteurs. En gelukkig, ook in medische opleidingen wordt gebruik gemaakt van trainingsacteurs. Wat mij betreft was Van Ingen, gewild of niet, zijn tijd ver vooruit.
Kennelijk kan een stelling of zienswijze waar worden door de tijd heen. Het duurt even, maar dan is ie d´r ook.
Een andere manier om een stelling of zienswijze waar te laten zijn is ´m een paar honderd keer herhalen. Ik denk dan als eerste aan reclame (Miele, er is geen betere! AEG laat je nooit in de steek! Goudhaantje van Van der Kramer) of aan, helaas, politiek. “Als je hen hun gang laat gaan moeten we straks allemaal een boerka op”, een idee dat ik voor veel mensen een goed vooruitzicht vind, maar dit terzijde. Of “als de hypotheekrente wordt afgeschaft kelderen de huizenprijzen”. Het is waar omdat we te lui zijn naar de ingewikkelder “waarheid” te zoeken.
In de training waar ik het net ook al over had, vroeg de trainer mij hoe dat ook al weer zat met de impact van een boodschap. Iets met lichaamstaal toch? En zonder aarzelen dreunde ik het op. “Uit onderzoek is gebleken dat de impact van een boodschap voor vijf tot zeven procent bepaald wordt door de inhoud, iets van 42 procent door het stemvolume en de intonatie, en de resterende ruim 50 procent door de houding”. En op datzelfde moment vroeg ik me af:“Welk onderzoek? Wie heeft dat hoe vastgesteld?”. Ik praat ook maar na wat me kennelijk wel bevalt. Ik ben blij dat tot op heden geen van de cursisten mij gevraagd heeft naar de achtergronden van dat onderzoek!!!
En ik heb me iets voorgenomen. Of ik wacht net zolang tot de stelling bewezen is, althans, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat, óf ik ga me beter informeren over wat ik roep. Klopt het wel? Is het de “waarheid”?
Maar de vakantie ijlt nog na. En man, wat was ik goed in het lui zijn………
Harry Muller